zondag 27 januari 2013 / Zin /

Ook interessant

9 filosofen over ouderdom

Ouderdom - de meeste mensen haken af bij het woord alleen al. Maar wat betekent ouder worden eigenlijk? En waarom hebben we vooral negatieve associaties? Werd er altijd al zo over gedacht? We checkten het bij dode en levende filosofen.

 

Jan Baars (1947)

'Pas nadat Napoleon het bevolkingsregister invoerde, werden we leeftijdsbewust'

“Het is hoog tijd om anders aan te kijken tegen ouder worden”, vindt filosoof en sociale wetenschapper Jan Baars, zelf net 65. “We kijken teveel naar onze leeftijd. Vaak worden alle mensen van boven de 45 al ‘oudere werknemers’ genoemd, hoewel veel mensen nog productief zijn tot hun tachtigste. Hoe mensen oud worden, verschilt erg per persoon.”

 

Het is heel modern om zo te focussen op leeftijd, legt Baars uit. “Vroeger werd je pas oud genoemd als je niet goed meer functioneerde. Eeuwenlang kenden mensen hun eigen leeftijd nauwelijks. Pas nadat Napoleon in het begin van de negentiende eeuw het bevolkingsregister invoerde, werden we ‘leeftijdsbewust’”.

 

Dat heeft volgens Baars rare gevolgen gehad in onze cultuur waar snelheid en jeugd als ideaal worden gezien. “Inmiddels lijkt het alsof je vanaf je vijftigste al allerlei zorg nodig hebt en niets meer zelfstandig bij kunt dragen.

 

Dat is natuurlijk grote onzin. De media schetsen bijvoorbeeld vaak een beeld van ouderen die massaal lijden aan Alzheimer, hoewel maar een heel klein deel van de bevolking die ziekte krijgt.”

 

Dat mensen inderdaad lang fit kunnen blijven, bewijst wel de tweeënnegentigjarige Gera van Voorstvader, die tot voor kort nog elke week bridgete en Italiaanse kookte. “Er zijn nog genoeg dingen die je kunt. En je leert altijd bij, dat gaat door tot je honderd bent.”

 

Ook de 91-jarige Ellinor Westerling geniet nog volop. Ze begeleidt zes verschillende zangers op de piano en haar dochter komt elke week langs.“Dat is helemaal geweldig”, vertelt ze.

 

Hebben ze dan helemaal geen last van lichamelijke gebreken? “Misschien wel”, zegt Jan Baars, “Maar die hoeven niet je hele leven te beheersen. Dat is weer zo’n veelvoorkomend misverstand. Aan veel ouderdomstrekjes, zoals minder energie, kun je je gemakkelijk aanpassen.” De twee oude dames zijn er al behoorlijk bedreven in.

 

“Je moet gewoon vergeten wat je niet meer kunt”, vertelt Van Voorstvader. “Ik richt me liever op wat ik nog wel kan en op dingen die ik prettig vindt. Dat is fijner voor mezelf en voor mijn omgeving.”

Bang voor de dood zijn de twee al helemaal niet. Dat klinkt somberder dan het is.

 

“Mijn leven heeft nu een normaal einde”, vertelt van Voorstvader. “De jaren hierachter zijn niet nodig. Maar ik ga wel gewoon door en doe leuke dingen.” Westerling: “Als ik morgen doodga is het ook best. Het is niet zo dat ik perse nog lang wil leven.”

 

De dichtbijheid van de dood heeft volgens Jan Baars zelfs een meerwaarde. “Je wordt je als je oud bent bewust van de eindigheid van het leven. Dat is niet iets katastrofaals. Eindigheid is er altijd.

 

Alle gesprekken en alle situaties gaan uiteindelijk voorbij, dat betekent alleen maar dat ze uniek zijn. Zo is het ook met het leven. Als je beseft dat het afloopt, kun je er meer van genieten.”

 

Kan deze filosofische manier van denken ons nog meer leren over ouderdom? Baars denkt van wel, hij schreef meerdere boeken over hoe vroegere filosofen aankeken tegen ouderdom. “Maar zij hebben er wel een negatiever beeld van dan wij”, waarschuwt hij. “Want vóór de tijd van Napoleon was je dus pas oud als je gebrekkig werd.”

 

 

Alain de Botton (1969)

'Ervaren zonder te verouderen, dat zou perfect zijn'

Alain de Bottonwerd geboren in Zwitserland en verhuisde op zijn achtste naar Engeland. Hij studeerde wijsbegeerte en geeft zijn filosofische kennis nu graag door aan een zo groot mogelijk publiek.

 

De Botton: “Oudere mensen hebben natuurlijk meer ervaring dan jonge mensen. Veel van wat ze meemaken, kennen ze al. Ze kunnen daardoor beter vergelijken dan bijvoorbeeld pubers. Voor hen lijkt elke situatie of emotie steeds heel belangrijk, zelfs dingen die achteraf niet veel voor blijken te stellen.

 

Als je ouder wordt, ben je niet meer constant verrast door wat je meemaakt. Je herkent: ‘he, dit is jaloezie’, of ‘he, dit is zelfmedelijden, dat zal over een half uurtje wel overgaan’.

 

Naïeve blijdschap is er voor ouderen helaas dus niet meer bij. Alleen een verliefde puber kan nog grenzeloos fantaseren over alle gelukkige tijden die hij met zijn nieuwe vlam gaat beleven. Als je ouder wordt, leer je dat zelfs de mooiste dingen uiteindelijk negatieve kanten hebben. Zo zie je dat liefde altijd gepaard gaat met pijn.

 

Wel kun je steeds beter omgaan met vervelende dingen. Je zal niet meer zo vaak blijven hangen in het wanhopige: ‘oh, arme ik’. Je hebt al eerder rottige situaties meegemaakt waarvan je niet wist of je er ooit uit ging komen. Nu weet je dat je je er uiteindelijk wel doorheen zult slaan.

 

Het leven is voor ouderen minder angstaanjagend, makkelijker voorspelbaar. Je stelt je ambities bij en je geluksmomenten worden bescheidener. Zo kun je als je oud bent genieten van simpele dingen.

 

Je hebt je leven dan wel niet helemaal op de rit, maar je gaat er toch een mooie avond van maken. Je partner is misschien niet perfect, maar je hebt net wel samen een geweldig weekend beleefd.

 

Voor oudere mensen wordt het steeds duidelijker: jonge mensen hebben nou eenmaal meer energie en zien er beter uit. Het zou ideaal zijn om de geest van een oudere te hebben, maar in een jong lichaam te wonen. Ik zou alles wat ik nu weet willen vasthouden, maar terug willen gaan naar de leeftijd van dertien jaar.

 

Dan hoef ik me minder zorgen te maken, minder jaloers te zijn op supersterren en kan ik genieten van kleine dingen, maar met nog wel alle tijd en energie van een kind. Ervaren zonder te verouderen, dat zou perfect zijn.”

 

Maar in een ouder lichaam kun je het leven ook aan. Niet alles hoeft perfect te zijn. Besef goed dat je niet onsterfelijk bent. Dan ga je je gezondheid en het jeugdige dat je nog hebt vanzelf meer waarderen.

 

 

Plato (427-347 v. Chr)

Eindelijk tijd om te studeren, zonder al die hartstochten

Plato was een filosoof uit de Griekse oudheid die tot de dag van vandaag bekend staat als een van de grootste Westerse denkers. In de teksten die van hem bewaard zijn gebleven, laat hij verschillende mensen aan het woord. Bijvoorbeeld de oude man Kefalos, die vertelt over zijn leeftijdsgenoten.

 

Ze klagen voortdurend, zegt hij. Vol heimwee kijken ze bijvoorbeeld terug op hun sekslust en de eet- en drinkpartijen van vroeger. Daarmee vergeleken hebben ze nu nauwelijks nog een leven over.

 

Maar daar is Kefalos het niet mee eens. Hij is juist blij om al die hartstochten eindelijk eens de baas te zijn. Zo kan hij zich tenminste in alle rust storten op de studie. Vooral de filosofie vindt Kefalos een mooie hobby voor als de lichamelijke krachten afnemen.

 

En wat de klagers betreft: dat hebben zij aan zichzelf te danken. Voor sobere en rustige mensen weegt de ouderdom niet zo zwaar. Een zuiver geweten helpt daarbij ook mee. Wie veel op zijn kerfstok heeft, beleeft geen rustige oude dagen.

 

Cicero (106-43 v. Chr)

Pas je aan aan de ouderdom, want die is er niet voor niets

Marcus Tullius Cicero was een Romeinse politicus die in de tijd van Caesar leefde. Hij hield veel wijze toespraken, maar werd uiteindelijk om politieke redenen vermoord. Cicero vond het onzin om je tegen de ouderdom te verzetten. De natuur raffelt niets af, dacht hij, dus ook deze laatste levensfase is vast geen vergissing.

 

Wel leek het hem goed om je aan de ouderdom aan te passen. Door bijvoorbeeld je vak over te dragen aan de jongere generatie. Niets mooiers dan dat, vond Cicero. Ook vond hij het belangrijk om lichaam en geest goed te blijven verzorgen.

 

Sport, eet en drink met mate, maar denk in overvloed, luidde Cicero’s motto. Zelf las hij op latere leeftijd bijvoorbeeld nog veel Griekse boeken en ging hij aan het eind van de dag na wat hij gehoord, gezegd en gedaan had. Toch had de ouderdom ook zo zijn schoonheidsfoutjes, vond Cicero. Oude mensen zijn bijvoorbeeld vaak praatziek en pochen graag over zichzelf.

 

Montaigne (1533-1592)

Lichamelijke ongemakken horen erbij en verzachten de dood
Michel Eyquem de Montaigne was een Franse filosoof uit de Renaissance. Hij was de eerste filosoof die ook geïnteresseerd was in de psychologie. De oude dagen vond hij tijd om vruchten te plukken.

 

Je hoeft niet meer te leren en zou ook niets meer moeten wensen, vond hij. Zelf had de oude Montaigne dan ook steeds minder plannen. Van de korte tijd die hij nog had, probeerde hij vooral te genieten. Hij had tegen die tijd behoorlijk last van nierstenen, maar daarover klagen vond hij dwaas.

 

Dat mag je pas doen bij ongemakken die alleen jou overkomen, die je niet hebt verdiend. Maar bij elk gebouw gaat uiteindelijk het dak lekken, dat moet je gewoon accepteren. Bovendien zijn deze gebreken er niet voor niets.

 

Ze zetten je aan het denken over het einde en zorgen ervoor dat het leven niet in één keer uit het lichaam wordt gerukt. Het leven van grijsaards laat gelukkig los als een rijpe vrucht.

 

Rousseau (1712-1778)

Leer niets meer, maar ontwikkel deugden
Jean-Jacques Rousseau was een Zwitserse filosoof die veel schreef over de schoonheid van de natuur en over de ideale opvoeding van kinderen. Maar de ouderdom zag hij minder positief in.Anders dan veel filosofen was hij het niet eens met de beroemde zin van de Griekse filosoof Solon: ‘ik word oud en leer nog steeds’.

 

Toen Rousseau oud werd vertrouwde hij juist steeds minder op zijn verstand. Dat was ongeveer vanaf zijn veertigste, een belangrijke leeftijd voor Rousseau. Tot die tijd had hij altijd geprobeerd zoveel mogelijk te slagen in het leven, maar daarna wilde hij zich niet meer op de toekomst te richten.

 

Hij veranderde van beroep en stippelde nieuwe levenslijnen uit. Deze bleef Rousseau de rest van zijn leven trouw. Hij twijfelde hier wel eens over, maar besloot telkens dat hij liever vertrouwde op wat hij bedacht had in de bloei van zijn leven dan op de mijmeringen van een oude man.

 

Dus liet hij op latere leeftijd zijn verstand voor wat het was en legde zich toe op het ontwikkelen van deugden. Want deugden waren volgens Rousseau het enige dat de mens meeneemt in zijn graf.

 

Goethe (1749-1832)

Een plant groeit ook na de bloei vastberaden door
Johann Wolfgang von Goethe was een Duitse filosoof en wetenschapper die veel beroemde toneelstukken, boeken en gedichten schreef. Hij bekeek de ouderdom van een wel heel zonnige kant.

 

“Alles wat je in je jeugd wenst, heb je als je oud bent in overvloed”, zei hij. Dat zijn bijvoorbeeld veel herinneringen, die niemand je meer kan afpakken. Zelfs de praatziekte van ouderen werd door Goethe geprezen. Hij waardeerde het juist dat ouderen veel te zeggen hebben en dit ook onverschrokken doen.

 

Hij zag wel dat er ook veel verloren gaat met de ouderdom. Maar daar komen nieuwe dingen voor in de plaats, zei hij, die je niet meer zou willen verruilen. Een mooie vergelijking vond Goethe de plant. “Een fraai getaand blad zou toch ook niet terugwillen naar de knop? In tegendeel. Na de bloei en de vrucht groeit de plant vastberaden verder.”

 

Schopenhauer (1788-1860)

Geen verveling meer, wel teleurstelling
Arthur Schopenhauer was een Duitse filosoof die bekend stond als pessimist. Toch was hij niet zo negatief over de ouderdom. Het kan zomaar je beste levensfase zijn, dacht hij.

 

Sommige mensen bloeien vooral als ze jong zijn, anderen zijn halverwege hun leven juist bijzonder krachtig en actief maar er zijn ook mensen die bij het kalme en milde van de ouderdom het beste uitkomen.

 

Maar voor alle drie geldt dezelfde verandering: de tijd vliegt steeds sneller voorbij. Als we oud zijn, leven we minder bewust, omdat we veel al gezien hebben. Belevenissen glijden langs ons heen en daardoor lijken de dagen steeds korter.

 

Verveling is er voor ouderen dus niet meer bij. Voor hen breekt een tijd aan van rust en behoefte aan comfort en zekerheid. Maar ook van teleurstelling in de wereld, want we zien als we ouder zijn steeds beter dat de wereld lang niet zo romantisch is als we vroeger dachten. Schopenhauer vroeg zich daarom af of het leven niet iets is dat je beter achter je kunt hebben dan voor je.

 

Nietzsche (1844-1900)

Een moeë geest ziet niet helder meer, ook al denkt hij zelf van wel.

Friedrich Nietzsche was ook een Duitse filosoof die de wereld somber in zag. Hij wordt zelfs nihilist genoemd, omdat hij het leven zo weinig waard vond. Ook ouder worden vond hij niks. De ouderdom vertroebelt het zicht op het leven, zei hij, zoals het avondrood de dag verkleurt.

 

Oude mensen hebben vaak wel het idee dat ze alles ineens helder inzien, maar eigenlijk zijn ze gewoon moe. Het zou daarom beter zijn er nog vóór de echte aftakeling een einde aan te maken.

 

Wat hij wel leuk vond aan ouderen was hun liefde voor de waarheid. Jongeren houden volgens Nietzsche van alles wat anders is dan anders, of het nou waar is of niet. Volwassenen zijn vooral geïnteresseerd in dingen die gek, maar wel waar zijn.

 

Grijsaards vinden ten slotte ook de saaie waarheid interessant. Want waarheid is nou eenmaal het hoogste goed, vond Nietzsche.

 

Russell (1872-1970)

Blijf bezig en ga pijnloos op in het geheel
Bertrand Arthur William Russells was een beroemde Britse filosoof uit de twintigste eeuw, die fel tegen oorlog was. Hij nam wat betreft ouderdom graag een voorbeeld aan zijn grootmoeder, die op haar tachtigste tot drie uur ’s nachts populairwetenschappelijke boeken las.

 

“Volgens mij had ze het te druk om op te merken dat ze oud werd”, schreef Russell. Dat is hoe je gelukkig oud kunt worden: niet terugwillen naar het verleden, maar je richten op de toekomst.

 

Daarmee bedoelde hij niet dat je moet vastklampen aan de jeugd, wat hij sommige ouderen zag doen. Je nakomelingen willen hun eigen leven leiden, waarschuwde hij. Wees dus niet verbaasd als ze geen advies aannemen of je gezelschap niet waarderen.

 

Ouderen kunnen volgens Russell beter proberen breed geïnteresseerd te blijven. Zo kan het ze namelijk lukken om als een rivier steeds breder te stromen en uiteindelijk pijnloos op te gaan in het geheel. Zelf stierf Russell bijvoorbeeld het liefst werkend, zodat anderen konden voortzetten waar hij mee bezig was.

 

School of life:

Zin interviewde Alain de Botton op het filosofiefestival dat 1 december werd gehouden in de Beurs van Berlage van Amsterdam. Op het festival spraken allerlei Nederlandse en internationale filosofen over luchtige onderwerpen als seks, technologie en ambitie. Het festival werd georganiseerd door School of Life, mede opgericht door Alain de Botton. Dit Londense bureau organiseert evenementen, reizen en cursussen. Onlangs verscheen ook de Nederlandse boekenreeks van the School of Life, bestaande uit zes boeken over de grote vragen van het dagelijks leven.


Foto: cc

Gepubliceerd in Zin