dinsdag 11 februari 2014 / Talent /

Onderwijs

Van verveling naar creativiteit

In de douche, tijdens de afwas of halverwege het hardlooprondje komen we soms tot de meest verrassende ideeën. Onze hersenen zijn dan eindelijk vrij om te dwalen, zonder de concentratie die we de rest van de dag nodig hebben. En dat biedt ruimte voor creativiteit. Als je het zo bekijkt is een beetje verveling in de klas voor een hoogbegaafd kind helemaal niet zo verkeerd.

 

Verschillende studies koppelen verveling en creativiteit aan elkaar. Zo zag een Canadese neurowetenschapper dat tijdens een wegdroommoment, zoals die onder de douche, belangrijke delen van het brein inderdaad de teugels wat laten vieren. Dat maakt dat we vrijer associëren. Andere onderzoekers beschrijven dat proefpersonen die net een kwartiertje nummers uit een telefoonboek hebben gelezen, creatiever zijn met twee koffiebekertjes dan deelnemers die niet zo’n saai taakje achter de rug hebben.

 

Kunnen hoogbegaafde kinderen hier misschien hun voordeel mee doen? Zijn ook zij creatiever als zij zich weer eens vervelen in de les? Of is verveling juist een bedreiging van hun fantasie? In een gesprek met twee deskundigen bekijken we hoe verveling, creativiteit en hoogbegaafdheid op een ingewikkelde manier samenhangen. Want hoewel hoogbegaafde kinderen volgens veel definities sowieso creatief zijn, is het niet zo dat ze hier hun best niet voor hoeven te doen.

 

Verveling ligt altijd op de loer. Jessica van der Spek, oprichter van adviesbureau Pluspunt voor hoogbegaafden, ziet het dagelijks. “Ik denk dat bij een derde van de kinderen die mijn praktijk bezoekt verveling ten grondslag ligt aan hun leer- of gedragsproblemen”, vertelt de orthopedagoog. “Dat leidt tot somberheid en lusteloosheid of tot clownesk of opstandig gedrag.”

 

En ook tot creativiteit? “Soms wel”, denkt van der Spek. “Veel hoogbegaafde kinderen dromen weg tijdens een les die ze al (denken te) kennen en komen zo op creatieve ideeën. Ze bedenken bijvoorbeeld een oplossing voor een probleem met een vriendinnetje, schrijven in hun hoofd een gedicht, of bedenken een heel verhaal rondom iets wat ze zien als ze uit het raam kijken. Maar andere kinderen hebben meer stimulans nodig, hun omgeving moet uitdagen. Dan is het niet zo gek dat ze in een saai lesuur soms juist lusteloos worden.”

 

Ook volgens onderwijskundige Frank de Mink is verveling geen simpele sleutel tot creatieve gedachten. De begeleider en workshopdocent van hoogbegaafde kinderen en ouders schreef veel over dit onderwerp. “Bij creativiteit komt veel meer kijken dan een beetje lummelen en spontaan een nieuw idee bedenken”, legt hij uit. “Denk aan een uitvinder: 99 procent van zijn eerste ideeën redden het niet. Je hebt allerlei vaardigheden nodig om van creativiteit een succes te maken. Zo moet je ook gefocust en kritisch aan het werk kunnen gaan en je idee verdedigen bij anderen.”

 

“Ieder persoon doet dat bovendien verschillend”, gaat de Mink verder. “De één vindt het fijn om te praten over wat er allemaal kan. De ander wil juist in stilte nadenken over de verschillende mogelijkheden. Een derde begint misschien liever meteen. Het is belangrijk dat kinderen al die wijzen van creatief werken leren kennen en hun eigen manier vinden.”

 

Die ruimte voor creativiteit is er volgens de Mink nu lang niet genoeg op de meeste scholen. “Leraren zelf gaan helaas niet erg creatief om met hun eigen vak”, merkt hij op. “Zelfs de creatieve lessen in het basisonderwijs hebben weinig met origineel denken te maken. De kinderen leren schrijven of schilderen, maar niet om hun fantasie te gebruiken. De ambachtelijkheid is dominerend.”

 

Ook van der Spek wil meer creativiteit in de klas. “Je kunt bijvoorbeeld praten over hoe verschillende kinderen een opdracht zouden aanpakken”, legt ze uit. “Stel vragen als: ‘Hoe heb je het aangepakt?’, ‘Wat werkte wel, en wat niet?’, ‘Zouden klasgenoten het op een andere manier doen?’. Als je zo filosofeert gaan leerlingen hun denkproces hardop verwoorden en krijgen zij hier meer inzicht in. Ze leren bovendien dat er andere manieren zijn om ergens tegenaan te kijken. Hoe meer ervaring zij hiermee opdoen, hoe groter de kans dat zij het creatief denken ook zelf gaan toepassen.”

 

Want creativiteit kun je leren. Dat is niet direct in strijd met het veelgebruikte hoogbegaafdheidmodel van Joseph Renzulli uit de jaren ‘80. Hij beschrijft hoogbegaafde kinderen als hoog intelligent, creatief en met doorzettingsvermogen. Maar die creativiteit kan belemmerd worden, zien van der Spek en de Mink. Door bijvoorbeeld verkeerde feedback te geven. “Hoogbegaafden krijgen vaak complimenten over hoe slim ze zijn”, beschrijft van der Spek. “Maar als je ervan uitgaat dat je prestaties alleen maar het gevolg zijn van je intelligentie, komt het niet snel in je op om een andere strategie te ontwikkelen. Het is dan ook minder waarschijnlijk dat je tot creatieve oplossingen komt.”

 

De Mink vult aan: “Met complimenten over hoe slim een kind is, of wat voor geweldige schrijver, stimuleer je hem niet om de volgende keer weer zijn best te doen. Bovendien kunnen zulke complimenten zorgen voor faalangst om de vorige prestatie te evenaren. Dat probleem speelt nog eens extra bij creativiteit. Het is bewezen dat als je mensen beloont voor creativiteit, de prestatie achteruit gaat. Daarom leren mensen op kunstopleidingen ook om zich onafhankelijk op te stellen tegenover hun afnemers.”

 

Dat hoogbegaafde leerlingen hun extra tijd in de les niet voor iets creatiefs gebruiken, is dus niet alleen hun eigen schuld. Van der Spek: “Ik heb Dr. Phil wel eens horen zeggen: 'Bored people are boring'. Daar zit iets in: kinderen die klagen dat ze zich vervelen, maar geen enkel initiatief nemen om een interessante activiteit te ondernemen, wekken vaak irritatie op bij ouders en leerkrachten. Ze lijken totaal niet gemotiveerd. Maar een jong kind heeft de hulp van de omgeving nodig om zijn gedrag en activiteiten te reguleren. Hij kan dit nog niet zelf, ook al lijkt hij nog zo volwassen door zijn manier van praten.”


De Mink geeft daarom tips over hoe je creativiteit kunt aanwakkeren bij een kind dat al klaar is met zijn werk: “Als een leerling zich verveelt, kun je gemakkelijk een nuttige opdracht geven met een creatieve aanpak. Geef bijvoorbeeld een laptop en vraag of ze iets uitzoeken waar ze graag meer over willen weten of laat ze een klein probleem van de school proberen op te lossen. In dat soort alledaagse opdrachten kan ook veel creativiteit naar boven komen.”

 

 

Drie tips om creativiteit bij hoogbegaafde kinderen te stimuleren:

Maak ruimte voor creativiteit

Ga bij de eerste versie van een opstel niet meteen zitten zeuren over het juiste kommagebruik en kloppende zinnen. Bespreek liever eerst de originele insteek, de vorm of de boodschap van het verhaal. En vraag een kind dat zich verveelt eens om een oplossing voor al die bladeren op het schoolplein te bedenken, of om een originele manier om de wc’s gemakkelijk schoon te houden.


Maak de juiste complimenten
Complimenten over vaste eigenschappen van een kind kunnen averechts werken. Geef daarom liever een pluim over het proces dat de leerling heeft doorgemaakt, over zaken die te leren zijn. ‘Wat ben je goed geconcentreerd bezig geweest’ of ‘wat heb je dat verstandig gedaan’.


Wissel opdrachten af
Wissel juist bij creatieve lessen verschillende opdrachtvormen af. Vraag bijvoorbeeld eerst om een paar minuten nadenkstilte, en houd daarna pas een groepsoverleg. Of geef af en toe de opdracht om eerst een associatiezon te maken, laat ze een andere keer juist direct beginnen en vraag ook eens om eerst een structuur voor een opstel. Zo komen de persoonlijke voorkeuren van alle kinderen aan bod en oefenen ze verschillende aanpakken.

 

De veelzijdige creatieveling
Volgens Frank de Mink kent creativiteit verschillende fasen. Dat geldt voor een kunstschilder, maar ook voor een kind dat een opstel moet schrijven:


Fase 1: De Ontdekkingsreiziger
Creativiteit begint met een idee. Om daartoe te komen moet je openstaan voor nieuwe dingen, veel rondkijken en je ongebonden voelen. Deze fase lijkt misschien het meest op verveling. Een schilder stelt zich voor wat hij op het doek wil zetten en een kind bedenkt een onderwerp voor zijn opstel.


Fase 2: De Kunstenaar
Nu moet het idee vormgegeven worden, dit kan veel energie kosten. Het creatieve idee wordt geuit. In dit kunstenaarsmoment pakt de schilder zijn kwast en begint het kind te schrijven.


Fase 3: De Rechter
Zelden is een product na die twee fasen klaar. Het impulsieve kunstwerk moet nu op orde worden gebracht. De schilder en het kind bepalen als een kritische rechter wat er weg moet en wat kan blijven. Er wordt geschrapt, herschreven en misschien worden er wel meerdere schone canvassen bij gepakt.


Fase 4: De Strijder
Maar bij echt creatieve producten is het zelfs dan nog niet afgelopen. Er is nog een strijdermentaliteit nodig om het te verdedigen. Deze fase staat bijna recht tegenover het speelse rondkijken aan het begin van het proces. Het kind en de schilder bijten zich vast in hun visie, blijven geloven in hun eigen product. Alleen zo weten ze de klanten, ouders of leraar te overtuigen.

 

Creatieve slimmerikken snel afgeleid?
Misschien líjken sommige hoogbegaafde kinderen vaak verveeld, omdat ze zich gemakkelijk laten afleiden. Maar trek niet te snel je conclusies als een kind schijnbaar verveeld om zich heen kijkt. In 2003 stelden onderzoekers van de universiteit van Harvard vast dat creatievelingen vaak relatief slecht zijn in het buitensluiten van zogenaamde ‘ruis’. Dat zijn bijvoorbeeld de geluiden op een feestje die niets met jouw gesprek van doen hebben. Proefpersonen die hoog scoorden op creativiteit bleken vaak mensen die dit soort irrelevante geluiden blijven binnenlaten, en zich dus niet goed kunnen concentreren op hun gesprekspartner. Die twee scores bleken vooral sterk samen te hangen bij mensen met een hoog IQ.

 

Origineel gepubliceerd in Talent

Photo: cc