zaterdag 12 november 2016 / Slow Management /

Duurzaamheid

Samen boeren

Het waaide dertig jaar geleden van Europa over naar de vs, waar het Community Supported Agriculture (csa) heet. En het waaide tien jaar later weer terug over de oceaan naar Nederland, waar het gemeenschapslandbouw of pergolalandbouw wordt genoemd – de Vlamingen spreken van zelfoogst- of zelfplukboerderijen. Het gaat nog een stapje verder dan het abonnement op de wekelijkse groentetas. Klanten worden lid of aandeelhouder van een boerderij en krijgen in ruil een deel van de oogst. Samen boeren, met voordelen voor boer, klant en bodem.

 

De twintigers Karissa Kader en Shannon Hernandez met haar 10-jarige zusje Jolette stappen uit de auto bij een groot landhuis met daaromheen akkers die volstaan met een bonte verzameling groenten. Boerin Bernadette Seely verwelkomt hen met een knuffel. De jonge Jolette wordt aan het werk gezet met boerendochter Emma, en de twee andere meiden volgen de boerin naar een tot de nok toe begroeide kas met tomaten in verschillende soorten en kleuren. Af en toe komt er iemand met een volle emmer tevoorschijn uit de dichte rijen planten. ‘We plukken hier vijf weken eerder dan andere boerderijen in de buurt’, zegt Seely. ‘Vanwege de kassen, echt Hollands.’ Bernadette groeide op in Nederland en vond haar man Peter Seely (‘niet uitspreken als peterselie’) in Amerika. Als jonge, idealistische twintigers volgden ze samen in Nederland cursussen over voedsel verbouwen in kassen en begonnen ze in 1988 een boerderij met een paar honderd dollar, wat gereedschap, een baby van acht maanden en een enorme hoeveelheid energie en passie voor het kweken van mooie producten, vrij van chemicaliën en pesticiden. In het noordelijke Plymouth, Wisconsin.

 

Bijdrage op een briefje

O ja, ze hadden ook 75 abonnees, want de Springdaleboerderij ging csa bedrijven. Deze gemeenschapslandbouw– in Nederland ook pergola-landbouw genoemd –is een vorm van samenwerking tussen burgers en lokale boeren. Burgers betalen jaarlijks een bijdrage om de productiekosten van het landbouwbedrijf te kunnen dekken. In ruil krijgen ze een deel van de opbrengst, bijvoorbeeld in de vorm van een wekelijkse groentebox. De Seelys zagen de Indian Line Farm in South Egremont, Massachusetts en de Temple-Wilton Community Farm in Wilton, New Hampshire – niet ver van Boston – als hun grote voorbeelden. Deze boerderijen, respectievelijk in 1985 en 1986 van start gegaan, gelden als de oudste in hun soort in de vs (zie kader op pagina 67). Bernadette en Peter Seely herinneren zich van de begintijd nog hoe de leden jaarlijks bij elkaar kwamen en ieder op een briefje schreven hoeveel ze konden bijdragen. Als het totaalbedrag nog niet genoeg was, werden er opnieuw briefjes geschreven – net zolang totdat er voldoende bij elkaar gesprokkeld was voor een nieuw seizoen. Nu, meer dan 25 jaar later, hebben ze vijf kinderen en voorzien ze ongeveer achthonderd abonnees gedurende zeven maanden van het jaar van verse groenten,fruit en eieren. Met een, naar eigen zeggen, ‘aanhoudend enthousiasme voor het verzorgen van de aarde en de productie van voedzaam voedsel’.

 

De lieve vrede bewaren

In de tomatenkas verdwijnt Karissa Kader meteen in het dichte groen. Eerder liep ze al maandenlang stage bij de Seelys en ze voelt zich als een vis in het water. Bernadette Seely verwijst Shannon Hernandez door naar een tiener die tomaten in plastic bakjes stopt. ‘Hij heeft een soort systeem hier’, zegt ze. Dan is ze weer verdwenen. Terwijl de jongen uitlegt hoe hij de bakjes vult met lagen van verschillende soorten cherrytomaatjes, staat een vrouw van middelbare leeftijd op van haar krukje. ‘Ik ga weer even plukken’, zegt ze. ‘Kijk uit dat er niet nog meer tomaten in deze bak worden gegooid. Dan splijten ze alleen maar.’ Ze doelt op de bijna goudkleurige tomaatjes waarvan het velletje snel scheurt. Sommige plukkers gooien de licht beschadigde exemplaren op de grond, anderen stoppen ze in hun mond en weer anderen pikken ze enigszins geïrriteerd uit de emmer die een ander net heeft aangeleverd. Gespleten tomaten mogen immers niet in de groenteboxen terechtkomen.

csa succes in vs

Al in de jaren zestig van de vorige eeuw ontwikkelden
Japanese vrouwen een kritische
blik op de afkomst en kwaliteit van hun
voedsel. Ze gingen rechtstreeks onderhandelen
met boeren en sloten samenwerkingsverbanden
af. Dit was de start van teikei,
een systeem van directe distributie van
landbouwproducten. Ook in Chili zouden
begin jaren zeventig soortgelijke initiatieven
ontstaan zijn. Beide ontwikkelingen worden
regelmatig vermeld als voorlopers van de
gemeenschapslandbouw, maar noch teikei,
noch de Chileense initiatieven inspireerden
de latere Europese en Amerikaanse initiatieven
rechtstreeks.
In Europa werd het eerste experiment met
gemeenschapslandbouw opgestart in 1978
in Les jardins de Cocagne, een nog steeds
bestaande Zwitserse boerderij, samen
met enkele biologisch-dynamische landbouwbedrijven
gebaseerd op ideeën van de
antroposoof Rudolf Steiner. De Amerikaan
Jan VanderTuin zag deze voorbeelden in
Zwitserland en startte samen met zijn
vriendin Robyn Van En in 1985 de eerste
Amerikaanse boerderij voor Community
Supported Agriculture (csa), de Indian Line
Farm in South Egremont, Massachusetts.
csa groeide uit tot een succes. In 2012 telde
het Amerikaanse ministerie van Landbouw
meer dan 12.000 boerderijen met dat soort
activiteiten, waarbij de definitie overigens
niet duidelijk is. Volgens de website Local
Harvest zijn er voor de vs geen eenduidige
cijfers en overzichten beschikbaar. Hun eigen
database omvat ruim 4.000 csa-boerderijen.


Wie de leiding hier heeft? Vijftien jaar lang was dat een van de dochters van de Seelys, maar die is weer met een studie bezig. Vandaag stuurt ex-stagiair Matthew de boel aan vanuit de pakschuur, de ruimte waar een handjevol leden met behulp van een zelfgebouwd lopendebandsysteem de groenteboxen vult. Bernadette en Peter maken zich meestal uit de voeten als de leden bezig zijn.‘Het gaat langzaam en vaak worden niet de beste beslissingen genomen’, zegt Peter. In plaats van zich daarover op te winden, bewaren de Seelys de lieve vrede. Peter: ‘Zo heeft iedereen een plekje op de boerderij.’ Als er fouten gemaakt worden en leden klagen over de inhoud van hun box, krijgen ze er gewoon één extra. Maar dat gebeurt niet vaak, zegt Bernadette. ‘Mensen vinden het niet zo erg als er een scheur of een plekje op hun groenten zit, omdat ze weten waar het vandaan komt.’

 

De beste deal

Om de gezonde, biologische groenten voor iedereen betaalbaar te houden, bieden de Seelys verschillende porties aan – ook halve en kwartboxen – en staan ze korting toe voor leden die dat echt nodig hebben en erom vragen. Zoals op veel van deze csa-boerderijen in de vs betaalt een deel van de leden niet met geld, maar via zogenaamde workershares. Ze werken een paar uur per week mee op de boerderij. Zoals elke maandag bijvoorbeeld de twee vriendinnen Karissa Kader en Shannon Hernandez met haar jongere zusje. Zij vinden de groenteboxen van Springdale financiëel ‘de beste deal’, maar komen vooral ook voor het werken met planten en voor de gezelligheid. Zusje Jolette is pas een paar maanden geleden uit Mexico overgevlogen, haar moeder moest noodgedwongen achterblijven omdat ze niet de juiste papieren had. Aan het einde van de werkdag vult iedereen zijn uren in op een lijst en blijven de twee meiden nog even hangen bij de lunchttafel. Kader maakt foto’s van de inhoud van haar halve groentebox – ‘dat is leuk voor op de social media’. Hernandez vraagt Bernadette of ze voortaan als officieel lid elke week een standaardbox mag ontvangen.Tot nu toe pakte ze zelf steeds een eigen doos in, maar ze vindt het moeilijk om die dan helemaal te vullen. De meiden rijden uiteindelijk weg met een volgeladen auto. Goed voorzien met hun eigen boxen, plus extra groenten voor de restaurants in de stad waar ze werken en nog een fles geitenmelk voor de oma van Jolette die haar heeft opgevangen na haar komst uit Mexico.

 

Elektrische tractoren

Springdale verbouwt maar liefst dertig verschillende gewassen, zoveel mogelijk verspreid over de seizoenen. Het is een ingewikkelde planning. ‘Leden verwachten eigenlijk elke week wel een zakje sla, dus dat moet steeds opnieuw worden geplant’, zegt Bernadette. Peter is verantwoordelijk voor het productieschema en de aansturing, zij weet ook niet hoe hij het voor elkaar krijgt. ‘Peters vader zei altijd dat hij te intelligent was om boer te worden, maar die slimmigheid heeft hij hier juist nodig.’ Elk jaar stuurt de boerderij een enquête rond waarin leden hun mening en wensen kenbaar kunnen maken. Welke groenten bevielen afgelopen seizoen en wat zou er nog beter kunnen? Voor grote investeringen deden de Seelys meermalen een beroep op de leden. Zo kregen ze bijvoorbeeld tienduizenden dollars bij elkaar voor de aanschaf van elektrische tractoren, die wel bestaan maar nog niet in grote series worden gemaakt en daarom prijzig zijn. De leden die meededen aan deze manier van crowdfunding konden zelf de hoogte, de rente en de termijnen van afbetaling bepalen.

 

Voordelen voor boer, klant en bodem

Community Supported Agriculture is een
verdienmodel dat boeren en tuinders de
mogelijkheid geeft om een bestaan op te
bouwen met een kleinschalig, vaak biologisch
landbouwbedrijf, waarbij de boer of tuinder
langdurig samenwerkt met consumenten. De
klanten worden lid en betalen vooruit voor
een oogstaandeel. Zo kan de boer rekenen
op een stabiel inkomen en hoeft hij geen of
minder geld te lenen voor zijn exploitatie. In
ruil daarvoor krijgen de leden een deel van
de oogst, vers van het land. Zij kunnen met
eigen ogen zien waar het eten vandaan komt.
Ook mogen de leden vaak meebeslissen over
de bedrijfsvoering en krijgen ze inzicht in de
boekhouding. Het wederzijdse vertrouwen
tussen boer en klant kan op deze wijze groeien.
Als de oogst een keer wat minder is door
slecht weer of een plantenziekte, dan krijgen
zij minder of geen groenten.
De boer heeft met dit systeem meer economische
stabiliteit en is minder afhankelijk
van de conventionele markt. Mede daardoor
hoeft hij de bodem niet uit te putten door
intensieve teeltwijzen. De consumenten
delen dus niet enkel in de risico’s van de
voedselproductie, maar dragen ook medeverantwoordelijkheid
voor het behoud of het
herstel van de bodemkwaliteit. De afstand
tussen producenten en consumenten van
voedsel, die in onze geglobaliseerde samenleving
ongekend groot is geworden, wordt
zo weer teruggebracht tot fietsafstand.
Consumenten verbinden zich met het land en
leren opnieuw te eten wat het seizoen hun te
bieden heeft. Ze komen hun groenten wekelijks
zelf oogsten of de producent bezorgt
deze in nabijgelegen steden en dorpen.
Dikwijls ontstaat een hechte gemeenschap
rondom een csa-bedrijf doordat leden en
andere geïnteresseerden actief betrokken zijn
als vrijwilliger.

Bron: CSA’s in Nederland, een lopend onderzoek
van Elisabeth Hense & Jolanda van Benthem
(Radbouduniversiteit Nijmegen)

 

De samenwerking om een csa-boerderij te runnen, kan nog een stap verdergaan, maar dat is lastig, vertelt Patrick O’Day. Hij oogt als een Amerikaanse boer uit een tv-serie, compleet met ruitjesoverhemd en cowboyhoed. Hij startte zijn bedrijf even verderop in Wisconsin, nu 27 jaar geleden, met de Seelys als voorbeeld. Daarvoor produceerde O’Day al grasmatten op zijn land en werkte tegelijkertijd als monteur. Toen hij kinderen kreeg en ze goed wilde voeden, merkte hij dat meer jonge ouders naar gezond eten zochten. Onder het motto be the change you want to see in the world legden ze met tien gezinnen uit de buurt elk 400 dollar in en kochten zaden en andere benodigdheden om samen te gaan boeren.

 

Sociaal gebabbel

Maar dat samen boeren ging niet zo soepel als verwacht. ‘Iedereen smachtte naar een groepsactiviteit, maar eigenlijk wist niemand hoe we moesten samenwerken. Een planning maken voor welke zaden waar en wanneer de grond in moesten, duurde geen uren, maar dagen’, weet O’Day nog maar al te goed. ‘We wilden alles samen bespreken, maar hadden geen focus en hobbelden van het ene onderwerp naar het andere. “Kool? Een vriend van mij zei laatst over kool dat…” Het werd één grote brei van sociaal gebabbel. Het zou heel wat makkelijker geweest zijn als ik het zelf even had gedaan als iedereen naar huis was.’ Het werk organiseerde zich overigens vanzelf. ‘Dat is het mooie aan landbouw. Met wie er die dag kwam opdagen werd er geplant in de lente, gewied in de zomer en geoogst in de herfst.’ De groep werd nooit groter dan 25 gezinnen, dus waren regels niet nodig. Iedereen hield elkaar in de gaten. Aan het eind van de dag bleven er wel vaak tassen met groenten staan, de welverdiende oogst waar mensen die dag zelf hun ziel en zaligheid in hadden gestoken. O’Day schudt zijn hoofd. ‘Ze waren dan weer met andere dingen bezig.’ Lachend: ‘En dat was nog vóór de iPhones. Holy cow!’ Elk jaar sloten nieuwe mensen zich aan en verdwenen ervaren leden. O’Day’s plan om de hele boerderij gezamenlijk eigendom te maken, kwam daarom nooit van de grond. Niemand wilde zich langer dan een jaar vastleggen. Ondanks het hoge verloop noemt O’Day zijn csa-periode de meest succesvolle van zijn leven. Werken met jonge ouders, rebellerende jongeren en mensen die net waren gescheiden of na een ziekte of verslaving weer terug in een normaal levensritme wilden komen. Na twintig jaar hield O’Day het voor gezien. Zijn vrouw overleed en hij wilde niet meer ‘de Alpha-man’ zijn. Nu verbouwt hij met zijn nieuwe vrouw Mary op hetzelfde land groenten voor henzelf en zijn ze ‘herders’ van een kudde, deels Texelse, schapen.

 

Lokaal eten populair

Inmiddels telt het zuiden van de staat Wisconsin 59 csa-boerderijen, die zich hebben verenigd in de organisatie Fairshare. Met name voor de marketing en promotie van hun activiteiten en om de communicatie met de leden te intensiveren. Bijvoorbeeld door de aangesloten leden behalve een groentebox ook recepten te bieden en nieuws over wat er allemaal gebeurt op de boerderij. Die extra slag is hard nodig volgens directeur Erika Jones. Zij zag de afgelopen drie jaar de eerdere stevige groei van de csa-boerderijen en de aantallen leden langzaam afvlakken. Jones: ‘Veel csa-boerderijen hebben voor het eerst sinds lange tijd geen wachtlijst meer. Lokaal eten is zo populair geworden, dat de markt nu allerlei opties biedt voor consumenten. Onder meer via restaurants, supermarkten en het zelf telen van groenten en kruiden.’

 

Sterke groei sinds 2013

Community Supported Agriculture wordt
in Nederland gemeenschapslandbouw
genoemd of ook wel pergola-landbouw. Deze
laatste naam is bedacht door Jolien Perotti,
met het idee dat de pergola als houten constructie
een geraamte biedt waarlangs het
bedrijf kan groeien en zich gesteund weet.
Perotti deed in de jaren negentig in de vs
ervaring op met csa. In 1997 begeleidde ze
Tineke Bakker bij het opstarten van gemeenschapslandbouw
op De Oosterwaarde in
Diepenveen, een biologisch-dynamisch
landbouwbedrijf dat enkele jaren eerder
was gestart. Perotti overtuigde nog enkele
bedrijven om over te schakelen op gemeenschapslandbouw,
maar toen ze vertrok naar
Noorwegen om daar een zelfoogstboerderij
op te zetten viel de ontwikkeling stil.
Mede door inspanningen van Tineke Bakker
was er rond 2006 weer een opleving te
zien. Na opnieuw enkele stabiele jaren is de
belangstelling sinds 2013 weer fors gegroeid
en neemt het aantal bedrijven en klanten
(leden) van gemeenschapslandbouw sterk
toe. Momenteel werken in Nederland naar
schatting 25 bedrijven op een manier die
aanleunt tegen gemeenschapslandbouw,
maar slechts een gedeelte daarvan zijn echte
csa-bedrijven. Vaak blijft het bijvoorbeeld bij
de levering van groentetassen.
In 2014 is de stichting Herenboeren
Nederland opgericht. Zij wil kleinschalige
gemengde boerderijen opzetten door per
bedrijf 200 geïnteresseerde consumenten
te laten investeren. Samen vormen ze een
voedselcoöperatie die een boer of tuinder in
loondienst neemt om de boerderij te runnen.
In het Brabantse Boxtel is de eerste
Herenboerderij in opbouw, de coöperatie
is eind 2015 opgericht met een honderdtal leden.

 

Gepubliceerd in Slow Management