woensdag 8 augustus 2018 / Genoeg Magazine /

Duurzaamheid / Circulair ondernemen

Broedplaats voor de toekomst

Kunnen we menselijke bedrijvigheid aaneenrijgen tot een gesloten ecosysteem? Architecten Césare Peeren en Floris Schiferli maken er een begin mee in voormalig zwemparadijs Tropicana in Rotterdam, tegenwoordig BlueCity. Lokale productie én hergebruik van elkaars afval staan er hoog in het vaandel. Een bezoek aan een kraamkamer van de ‘blauwe economie’.

 

Aan de oever van de nieuwe Maas in Rotterdam staat een gebouw dat in de jaren 80 futuristisch moet hebben geoogd. Op een onderstel van witgecoate aluminiumplaten rust een enorme koepel van doorzichtig plastic. Een glijbaan, inmiddels bruin van de regen, slingert tientallen meters buitenlangs, overwoekerd met klimop. Boven op het dak herinnert de naam Tropicana, in vierkante, rode letters, zelfs voorbijgangers een paar straten verderop nog aan het voormalig tropisch paradijs. Veel in onbruik geraakte zwembaden worden gesloopt, want wat moet je er anders mee? Nou, heel veel, vindt Césare Peeren. Met een schone lei beginnen is niets voor hem.
Een tikje buiten adem komt hij aangefietst, nog herstellende van een longontsteking. Hij wilde iets sneller dan de werkelijkheid toestond, maar dat is hij wel gewend. Eind jaren negentig studeerde hij al af op een plan om een oude kolencentrale in Rotterdam om te toveren tot zelfvoorzienende woon- werk en recreatieplek met eigen landbouw, zonnepanelen en water- en luchtreiniging. Het bleef bij plannen, want destijds kregen zijn ideeën nog weinig weerklank.

 

Gekko's

Inmiddels is het lokaal sluiten van kringlopen een geaccepteerder idee. Peeren ziet het nog steeds als zijn levenswerk om een concept zoals zijn afstudeerproject te realiseren. Tropicana is een van de stappen in de goede richting. Vroeger zwom Peeren een of twee keer per jaar in dit golfslagbad. ‘Een geweldige plek. Er liepen gekko’s rond’, vertelt hij met glimmende ogen. ‘Maar 17 gulden per kaartje was wel erg duur.’ Het zwembad ging failliet en ook de aangrenzende nachtclub sloot uiteindelijk de deuren. Met hulp van Peerens architectenbureau Superuse Studios kreeg dit gebouw een nieuwe inrichting en functie. Nu is het een circulair bedrijventerrein: Blue City. Het is een bedrijven ecosysteem in de dop, waar milieubewuste ondernemers hun materiaalstromen zoveel mogelijk op elkaar aansluiten. Circulaire, blauwe, groene bedrijven: ze zitten er allemaal.


Binnen staat nog dezelfde ronde bar als vroeger, nu iets praktischer uitgerust met een extra breed tafelblad. Dagelijks eten zo’n vijftig man van verschillende bedrijfjes in Blue City hier hun lunch en zetten hun eigen kopjes koffie. De emmers koffiedik die overblijven dienen als voedingsbodem voor onder meer de eetbare paddenstoelen van Rotterzwam, de bekendste verwerker van restmateriaal in Blue City. De jongens van Fruitleather gebruiken fruitafval om leerachtig materiaal van te maken voor onder meer sneakers en Verdraaid Goed maakt kladblokken, fotolijstjes en een Vier op een Reisspel van onder meer treinstelbekleding en tabelborden van NS. Zo stelt Blue City een voorbeeld voor de economie van de toekomst. Investeerder iFund helpt als eigenaar van het gebouw en als belangrijke aandeelhouder van de coöperatieve exploitatie van Blue City.

 

Oogsten
Toen zwembad Tropicana in 2010 de deuren sloot, kwam Peeren in eerste instantie langs om te ‘oogsten’. Hij haalde 500 vierkante meter trespa-platen uit de kleedkamers en lockers en zandstraalde ze om te gebruiken als vloertegels en lambrisering van uitgaansgelegenheid WORM elders in de stad. Ontwerpen met wat voorhanden is doet Peeren al sinds 1997, samen met Jan Jongert, mede-oprichter van Superuse Studios. Verwacht van Peeren niet dat hij vanuit het niets een ontwerp op een leeg vel papier tovert. Hij kijkt liever eerst om zich heen. Wat is er al en hoe kan hij dat gebruiken? Zijn bouwmateriaal haalt hij als het even kan uit de directe omgeving.
‘Je moet het zo lokaal mogelijk houden’, zegt hij terwijl hij een kopje koffie zet voor Floris Schiferli, een van de vier partners van Superuse Studios. Die komt aanlopen vanuit het kantoor op de eerste verdieping. Schiferli werkt hier dagelijks en is met name verantwoordelijk voor de transformatie van Tropicana. Dat doet hij met zo veel mogelijk restmateriaal natuurlijk, vertelt hij. ‘Dat is hier zo’n 70 procent van wat je ziet.’ Schiferli omschrijft zijn werk als ‘een soort 3D-puzzel’. Op de dansvloer van de vroegere nachtclub bouwde hij bijvoorbeeld nieuwe kantoortjes van gebruikt materiaal.

 

De buitenwanden van de kantoren puzzelde hij met zijn team in elkaar met raamkozijnen van een slooppand in Maastricht. Omdat ze eigenlijk te breed waren om netjes op een rij te plaatsen, werden de kozijnen schuin tegen elkaar geplaatst. Ze komen nu samen in puntjes die de gang duizelingwekkend hoekig laten kronkelen. Een typische geval van bouwen volgens de Superuse-methode, zegt Schiferli. ‘Toevallig bleek de akoestiek er ook door te verbeteren.’
Een deel van de scheidingswanden tussen de kantoortjes heeft sierlijke patronen van metaal. Het zijn restplaten van uitgefreesde metalen figuren, opgekocht bij een metaalverwerkend bedrijf. ‘Wij boden veel meer dan de schrootprijs en mochten het ophalen,’ aldus Schiferli

 

Modulair
Passen en meten met restmateriaal klinkt misschien rommelig, maar dat hoeft het volgens Peeren en Schiferli niet te zijn. Er waren bijvoorbeeld 311 kozijnen voor de kantoortjes. ‘Met allemaal precies dezelfde afmetingen natuurlijk, want die kozijnen zijn ook ooit ontworpen’, zegt Schiferli. ‘Als je daar een goede detailoplossing voor vindt, kun je er grote projecten mee doen. Zo bouw je modulair met restafval.’


Langs de ‘grotbar’ van de vroegere nachtclub beklimmen Schiferli en Peeren de trap naar hun kantoor. De grijze bureaus zijn gemaakt van oude reclameborden, de afbeeldingen zijn nog zichtbaar aan de onderkant van het werkblad. De architecten kijken hun kantoor uit via herkenbaar gekromde treinramen en bergen hun spullen op in rollende vliegtuigkastjes, waar stewardessen ooit maaltijden mee uitdeelden.


De eerste verdieping bestond eerst alleen uit een balkon dat uitkeek op de dansvloer, maar Schiferli heeft de hele dansvloer overdekt. ‘Dan heb je weer extra vierkante meters. Nodig om geld te verdienen.’ Inmiddels worden alle vierkante meters gehuurd door bedrijven als circulair ingenieursbureau Better Future Factory en modeatelier KEES. Ze zijn geselecteerd op hun circulaire, groene of blauwe insteek en bereid om informatie over hun afvalstromen te delen.


Het echte uitwisselen gebeurt nog maar met een klein deel van al het restmateriaal. Voor papier, dat vrijwel elk bedrijventerrein afstoot, bestaat bijvoorbeeld nog geen andere bestemming dan recycling. Fruit Fly Ninja, dat biologisch afbreekbare fruitvliegjesvangers verkoopt tegen voedselbederf in supermarkten en horeca, heeft ook nog geen functie gevonden voor de vangst. ‘Er valt toch wel wat te doen met die proteïnen’, oppert Peeren hardop. Maar het hoeft allemaal niet meteen. ‘Je kunt proberen in één keer alles goed te doen, of gaandeweg alles op elkaar afstemmen en zien hoe dingen werken’, zegt Schiferli. Hij is een voorstander van dat laatste. ‘Gewoon beginnen is belangrijk. Ik ken collega-architecten die nog nooit iets hebben gebouwd omdat ze zo zuiver in de leer zijn.’

 

Geen regels, maar doelen
Strakke duurzaamheidsregels gelden niet in Blue City. ‘Je moet het hier niet zien als een soort kerk’, zegt Schiferli. ‘Maar wel als een soort geloof’, vult Peeren aan. ‘We schrijven geen regels voor, maar doelen.’ Bedrijfjes die zich in Blue City willen vestigen moeten bovendien kunnen aarden in de wel heel specifieke klimaatomstandigheden van het gebouw. In het voormalige zwembad, onder de grote koepel, voelt het meteen broeierig. Peeren, terwijl hij er met Schiferli naar binnen loopt, : ‘Ook als het buiten vriest, wordt het hier nog 14 graden.’ Dat is handig om van alles te laten groeien, wat tot een jaar geleden ook gebeurde. Toen leidde een brand in de kelder voor heel wat roetschade; daarna werd besloten de binnenkant van de koepel onder handen te nemen. In de droogliggende fonteinen, bubbelbaden en wildwaterbaan staan nu steigers en een grote hijskraan. Als het werk af is, is de ruimte te huur voor bijeenkomsten.


Onderweg naar de ruimte onder het oude zwembad, wordt het snel kouder. ‘Hier is het juist weer koel en vochtig, met enorm dikke betonnen muren. Een ideaal klimaat voor Rotterzwam’, zegt Peeren. In de gang staat een rij groene bakken. Hier zijn de ‘duizenden vrijwilligers’ van Rotterzwam-ondernemer Siemen Cox aan het werk: tijgerwormen die afval zoals karton omzetten in vruchtbaar compost. In een aparte ruimte naast de bakken discussieert een groepje kledingontwerpers over het belang van een groen kledinglabel.
Nog dieper onder in het gebouw zijn nieuwe kantoren in de maak. Schiferli en Peeren noemen het de kelder, maar eigenlijk is het de begane grond. Naast de oude golfgenerator uit het golfslagbad komt het kantoor van Superuse Studios. Er is een lichtschacht gemaakt vanaf boven en uiteindelijk moet een doorzichtige buitenmuur de ruimte verlichten, met uitzicht op de Maas. Schiferli laat Peeren de laatste ontwikkelingen rond hun nieuwe eigen kantoor zien. Midden in de ruimte balanceren dikke stukken beton kunstig in de breedte op elkaar. ‘Waar is dat voor’, vraagt Peeren. ‘Dit is een heel dun scheidingswandje’, grapt Schiferli. De architecten proesten het uit. De betonplakken vormen bovenop elkaar een muur van minstens decimeters dik. ‘Het zijn stukken uit het oorspronkelijke gebouw die we een nieuwe functie geven’, legt Schiferli uit. ‘We kijken of het zinvol is dit in de toekomst op grote schaal toe te passen.’

 

Circulair bouwen
Dat praktische geëxperimenteer weten niet alle ontwerpers te waarderen. Zij kijken soms kritisch naar het werk van Superuse Studios, zegt Peeren. ‘Zij willen iets precies zoals ze het hebben bedacht, want dan is het perfect. In hun ogen bestaat ons werk te veel uit toevalstreffers.’ Hij haalt zijn schouders op, maar Schiferli veert op. ‘Opportunisme, werken met wat je hebt, is evolutie!’ Hij vindt vaststaande ontwerpen, vaak alleen gebaseerd op esthetiek, ‘compleet zinloos’ en wijt die instelling deels aan opleidingen. ‘Op de TU leren studenten nog altijd hun ontwerp eindeloos te verdedigen. ‘Waarom is precies dit ontwerp nou op die plek noodzakelijk? Zo ontwikkel je het idee dat het niet anders kán. Maar ik durf bij elk gebouw dat ik zie te zeggen dat wel acht andere varianten goed hadden kunnen functioneren.’


Schiferli houdt zijn ontwerpen daarom liever flexibel. ‘Zelfs als je al bouwt, kun je nog andere beslissingen nemen’. Die flexibiliteit toelaten, hij raadt het alle architecten aan. ‘Vaak wordt er een garantie gegeven dat een gevel tien jaar onderhoudsvrij blijft. Maar al die zekerheden kosten geld en gebruikt materiaal blijft dan vaak staan. Als je de 20.000 euro die je nodig hebt voor een nieuwe gevel bewaart, heb je een potje voor als er echt iets kapot gaat.’
Peeren knikt. ‘Dan heb je wel klanten nodig die zo’n proces aandurven.’ Maar circulair bouwen hoeft niet experimenteel te zijn, voegt hij toe. ‘Het kan van zoveel toevalligheden afhangen als je wil. Sommige restmaterialen kennen wij inmiddels door en door, we kunnen een aannemer er alles over vertellen. Zoals kabelhaspelhout, waarvan we bankjes maken. Dat proces doorlopen we met ieder materiaal.’

 

Koppelen
Om andere architecten te stimuleren met gebruikt materiaal te bouwen, lanceerde Superuse Studios in 2014 de website Oogstkaart.nl en het Engelstalige Harvestmap.org. Iedereen kan er restmateriaal aanbieden en vinden. Er worden bijvoorbeeld honderd kozijnen en deuren aangeboden in Middelharnis en tienduizend vierkante meter tentdoek in Volendam. Hier worden per maand een aantal matches gemaakt. Het is een soort duurzame bouwversie van Marktplaats voor professionals. Het idee hadden Jongert en Peeren al in 1999. Toen lieten zij Recyclicity bouwen in Oost-Europa, maar de site werd nauwelijks gebruikt. Ze waren te vroeg.


Inmiddels lanceerde Superuse Studios alweer een volgende website, Pulsup.net. Bedrijven kunnen hun reststromen in kaart brengen en die proberen met elkaar te verbinden. De app is speciaal gemaakt voor bedrijventerreinen, want dat zijn volgens de architecten ideale toekomstige ecosystemen. “Op bedrijventerreinen zitten allerlei bedrijven die verschillende vormen van afval produceren, legt Peeren uit. “Spullen, energie, water, warm water. Sommige bedrijven hebben dingen nodig die andere bedrijven als afval beschouwen. Met een app die dat in kaart brengt, kun je stromen gaan koppelen.”
Want ook op grote schaal hangt recyclen niet van toevalligheden aan elkaar, willen Schiferli en Peeren maar zeggen. Juist voor voorspelbare afvalstromen van industriële productieprocessen kun je goed een nieuwe functie vinden. Schiferli: ‘Denk aan een tafel waarvan een producent de komende vijf jaar drieduizend stuks wil maken. Elke maand komen stukken hout van 1 meter 20 vrij waar die fabrikant niks mee doet.’


Zelfs van kleinere bouwprojecten kan afval structureel worden gebruikt, als het tenminste op tijd wordt aangeboden. ‘Bij het ontwerp van elk product is eigenlijk al duidelijk wat de reststroom wordt’, zegt Schiferli. ‘Idealiter geef je dat meteen door aan de markt, dan hebben mensen de tijd om het af te nemen. Dat is makkelijker dan het pas doorgeven als het in de container ligt en het snel afgevoerd moet worden.’


In Blue City wordt zo’n economie opgebouwd. Ook elders vatten de ideeën van Superuse vlam. In Amerika worden speeltuinen van windmolenwieken gebouwd, naar voorbeeld van de wiekenspeeltuin die Peeren in 2008 in Rotterdam neerzette. In China plaatste Jongert tijdens de Nederlandse handelsmissie in april onder toeziend oog van premier Rutte zijn handtekening onder een contract met onder meer de Chinese overheid om de Pulsup-app te implementeren in industriegebieden. De pilot vindt plaats op een eerste bedrijventerrein in de provincie Guangzhou – half zo groot als Nederland, 60 miljoen inwoners. Uiteindelijk is het plan om 130 Chinese industrieterreinen met de Pulsup-app richting een blauwe economie te duwen. ‘China is veel verder vooruit in de circulaire economie’, zegt Schiferli. ‘Een wet verplicht bedrijven om te proberen hun reststromen op elkaar aan te sluiten. Ze moeten ook wel, want het is daar een kwestie van leven of dood.’ Peeren: ‘Hier ook, maar dat ontkennen we. Wij denken dat we hier schoon zijn, maar onze vervuiling gebeurt in China of India. We hebben onze zware industrie en daarmee een flink deel van de vervuiling naar lage lonen landen verplaatst.’

 

Spullen of mensen
Peeren pleit daarom voor zo veel mogelijk lokale productie van alles wat er nodig is om een samenleving draaiende te houden. ‘Het globale productiesysteem heeft geleid tot oorlog, armoede en een ecologische ramp. Dat moet anders.’ Zo’n tachtig procent van wat een stad nodig heeft, dus ook brandstof, grondstof voor gebouwen en kleding, kan volgens Peeren uit de directe omgeving komen, met een ring van landbouw eromheen. “Ruimte voor landbouw komt bijvoorbeeld vrij als er minder verkeer nodig is doordat mensen spullen en energie duurzamer gebruiken.” Die lokale economieën hoeven niet helemaal zelfvoorzienend te zijn, maar worden juist onderling met elkaar verweven. ‘Je moet niet proberen om een soort spaceship te zijn dat alles zelf gaat oplossen’, zegt Schiferli. ‘Ook al ziet het er hier soms wel als een spaceship uit’, lacht Peeren.
De eerste paar bedrijven die op Pulsup.net zijn aangesloten bieden hun reststromen aan in Rotterdam. Schiferli en Peeren hopen dat het er veel meer worden, net als in China. Schiferli: die industriële reststromen zíjn er gewoon, er is genoeg materiaal beschikbaar om iets mee te doen.’ Als je daarmee bouwt zijn materiaalkosten relatief laag, en zijn kosten voor arbeid juist hoger. ‘Maar arbeid inhuren gebeurt natuurlijk lokaal’, zegt Peeren. Dat vindt hij alleen maar mooi meegenomen. Hij pleit er daarom voor om de belasting op arbeid te verschuiven naar een belasting op grondstoffen. ‘Belasting innen op spullen, niet op mensen’, zegt hij. ‘Als de overheid dat doet, gaat het heel hard.’ Vast niet zo hard als Peeren zou willen, maar dat is hij wel gewend.

 

Groen, blauw en circulair
Wanneer zijn bedrijven groen, blauw of circulair? Ondernemers scharen zich graag onder een van deze categorieën. Van de verschillende termen bestaan talloze interpretaties. Een poging iets meer duidelijkheid te scheppen:

Groene ondernemers zijn met hun bedrijf gericht op het verduurzamen van de wereld of proberen zélf een zo klein mogelijke voetafdruk te hebben. Onder die laatsten vallen ook blauwe of circulaire ondernemers.

Circulaire ondernemers proberen zo weinig mogelijk afval te produceren. Met dat doel verkopen zij bijvoorbeeld geen producten, maar verhuren die. Kapotte exemplaren nemen zij terug om te repareren en weer in hun eigen gesloten kringloop van spullen terug te brengen. De term circulair wordt nu ook vaak gebruikt voor activiteiten die anderen eerder groen of blauw zouden noemen.

Blauwe ondernemers proberen niet zozeer zélf circulair te opereren, maar sluiten hun reststromen zoveel mogelijk aan op andere bedrijven. Zo kunnen ecosystemen van menselijke bedrijvigheid zoveel mogelijk lokaal en uiteindelijk wereldwijd op elkaar worden aangesloten. Over die blauwe economie schreef de Vlaamse ondernemer Gunter Pauli in 2010 het boek The Blue Economy, waar Cesare Peeren zich ook door liet inspireren.

 

 

 

Blue City
In voormalig zwembad Tropicana zitten rond de 20 bedrijfjes die elkaars restmateriaal proberen te gebruiken. De catering in Blue City verwerkt ‘lelijke’ groenten en fruit, maakt siroop van onkruid en werkt met mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Rotterzwam gebruikt koffiedik om oesterzwammen op te kweken. Samen met Blue City-genoot Verdraaid Goed maakt Rotterzwam ook bioplastic op basis van koffiedik. Verdraaid Goed verwerkt meer restmateriaal in nieuwe producten. Denk aan kladblokken, fotolijstjes en een Vier op een Reisspel gemaakt van treinstelbekleding en tabelborden van NS.
Fruitleather maakt leerachtig materiaal van fruitafval, zoals rotte mango’s. Het idee pikten de twee jongens op tijdens hun ontwerpstudie aan de Rotterdamse Willem de Kooning Academy. Inmiddels wordt het fruitleer verwerkt in onder meer sneakers.
Hemelswater vangt regenwater op om te hergebruiken. Ze onderzoeken nu of er misschien bier van kan worden gebrouwen door weer een andere Blue City-bewoner: bierbrouwer VET & LAZY.